Pappardelle met wildzwijnragù is een gerecht voor een regenachtige herfstavond. Het wildzwijnstoofvlees laat je een paar uur sudderen met jeneverbes, rozemarijn en rode wijn. Daarna valt het vlees vanzelf uit elkaar. Je schept de ragù over brede pappardelle en strooit er een flinke hand pecorino over. Het werk is snel gedaan, maar de pan heeft tijd nodig.

Pappardelle met wildzwijnragù: zo krijg je mals vlees
Wildzwijn is magerder en steviger dan rundvlees. Daarom kies je stoofvlees en geef je het drie uur de tijd. Bruin de blokjes eerst in porties. Zo krijgt de saus kleur en smaak. Bak ze niet allemaal tegelijk, want dan stoomt het vlees. Laat de pan vervolgens met het deksel op een kier staan, zodat de saus langzaam inkookt.
De jeneverbessen en de rozemarijn geven de ragù een bosrijke geur die goed past bij wild. Plet de bessen licht, dan komt hun smaak beter vrij. Haal ze er aan het eind niet uit, maar waarschuw je gasten wel. Een bes tussen de tanden proef je meteen. Meer over het dier zelf lees je bij wild zwijn op Wikipedia.
Waar komt pappardelle met wildzwijn vandaan?
Pappardelle met wildzwijn is een klassieker uit Toscane. In de bossen van die streek leeft veel wild zwijn, dus het vlees staat er al lang op het menu. De brede eierlinten houden de zware saus goed vast. Daarom serveert men ragù van wild daar bijna altijd op pappardelle.
Extra tip: laat de ragù een nacht rusten
De ragù smaakt de volgende dag vaak voller. Maak hem dus gerust een dag eerder en warm hem rustig op. Voeg dan een scheutje water toe, zodat de saus soepel blijft. Je kunt de ragù ook invriezen, tot drie maanden. Kook de pappardelle pas vlak voor het serveren.
Meer stoofgerechten met pasta
Hou je van lang gestoofde sauzen? Probeer dan de tagliatelle met eendenragù. Meer gerechten met wild vind je bij alle wildrecepten op Pastasite.
