Categorie: Tips

  • Zout in fases

    Zout in fases

    Zout in fases toevoegen geeft een gelaagdere smaak dan alles in één keer. Zout je in stappen tijdens het koken, dan proef je steeds bij. Zo voorkom je dat een gerecht ineens te zout wordt. Het kost nauwelijks extra tijd.

    Waarom zout in fases beter werkt

    Zout trekt in de ingrediënten en versterkt hun eigen smaak. Voeg je het aan het begin toe, dan zit het diep in de ui, het vlees of de groente. Voeg je het aan het einde toe, dan proef je het vooral aan de buitenkant. Door beide te doen, krijg je diepte en frisheid. Bovendien verdampt het water in een saus, waardoor het zout geconcentreerd raakt.

    Zo zout je in fases

    Zout het water voor de pasta aan het begin, zodra het kookt. Strooi een snufje zout over de ui of groente als je ze bakt. Zout de saus daarna lichtjes, ruim voordat hij klaar is. Proef vlak voor het mengen. Maak af met een laatste snufje zout of een beetje zeezout op het bord. Zie ook pasta goed koken voor de hoeveelheid zout in het kookwater.

    Houd rekening met zoute ingrediënten

    Parmezaan, pecorino, ansjovis, kappertjes, olijven en spek bevatten veel zout. Voeg zout daarom pas toe nadat je deze ingrediënten hebt gebruikt. Proef dan opnieuw. Bij een saus met veel kaas heb je soms helemaal geen extra zout nodig. Lees ook zout de saus voorzichtig na.

    Wat als het toch te zout is?

    Voeg dan iets neutraals toe om te verdunnen. Denk aan ongezouten tomaat, bouillon zonder zout, room of extra pasta. Een scheutje citroensap maakt de zoutheid minder opvallend. Een rauwe aardappel die je meekookt, werkt minder goed dan vaak wordt gezegd. Voorkomen is dus beter dan genezen.

    Proefmomenten

    Maak er een gewoonte van om op drie momenten te proeven: bij het begin van het bakken, halverwege het koken en vlak voor het serveren. Gebruik een schone lepel. Proef bij voorkeur ook samen met de pasta, zoals je leest bij proef tijdens het koken. Zo leer je snel hoeveel zout jouw gerechten nodig hebben.

    Een voorbeeld

    Je maakt een tomatensaus met ui, knoflook en tomaten. Een snufje zout bij de ui trekt het vocht eruit en maakt hem zoeter. Een tweede snufje bij de tomaten verdiept de smaak. Aan het eind proef je en voeg je een laatste kleine snufje toe. Zo voorkom je een saus die flauw begint en te zout eindigt.

    Zout dus in fases, en proef steeds opnieuw.

  • Gebruik een grote pan

    Gebruik een grote pan

    Gebruik een grote pan voor pasta, ook als je maar voor één persoon kookt. Pasta heeft ruimte nodig om vrij te bewegen. Zit hij te dicht op elkaar, dan plakt hij samen en gaart hij ongelijkmatig.

    Waarom een grote pan het verschil maakt

    In een grote pan past meer water. Meer water betekent dat de temperatuur nauwelijks zakt als je de pasta erin doet. Het water blijft dus rollend koken. Daardoor begint de pasta direct te garen en klontert hij minder. In een kleine pan zakt de temperatuur juist flink, en gaat het zetmeel plakken.

    Hoeveel water heb je nodig?

    Reken op minimaal een liter water per honderd gram pasta. Voor vier personen is dat dus vier liter. Kook je voor twee personen, dan kom je met twee liter een heel eind. Kies bovendien een pan die ruim twee keer zo hoog is als de hoeveelheid water. Zo voorkom je dat het schuim overkookt. Hoeveel pasta je per persoon nodig hebt, lees je in ons artikel over hoeveel pasta per persoon.

    Wat als je pan toch te klein is?

    Kook de pasta dan in twee porties. Dat kost iets meer tijd, maar het resultaat is veel beter dan alles in één keer in een krappe pan. Meng de eerste portie alvast met de saus en houd hem warm, terwijl de tweede portie kookt.

    Wat gebeurt er in een te kleine pan?

    Een te kleine pan geeft meerdere problemen tegelijk. Het water zakt na het toevoegen van de pasta flink in temperatuur. Het duurt daarna lang voordat het weer kookt. Intussen ligt de pasta stil en plakt hij vast. Bovendien wordt het kookwater snel troebel en dik van het zetmeel. Dat zetmeel zorgt voor nog meer plakken. Een grote pan geeft de pasta ruimte en houdt het water helder. Dat scheelt je ook werk, want je hoeft minder te roeren.

    Een brede of een hoge pan?

    Voor lange pasta werkt een brede, hoge pan het best. Zodra het onderste deel van de spaghetti zacht wordt, duw je de rest met een houten lepel onder water. Dat gaat makkelijker in een brede pan dan in een smalle. Voor korte pasta is een hoge soeppan ook prima. Let vooral op het volume. Laat het deksel er overigens af zodra het water kookt.

    Ook voor een kleine hoeveelheid loont een grote pan. Met slechts twee porties pasta in een kleine pan heb je weinig water, en dus een snel dikker wordend, plakkerig kookvocht. In een grote pan blijft dat vocht lichter, zodat je het later ook goed als bindmiddel kunt gebruiken.

    Meer over het koken zelf lees je in ons artikel over pasta goed koken. Kortom: gebruik een grote pan, geef de pasta ruimte en je voorkomt de meeste problemen al voordat ze beginnen.

  • Proef de saus los van de pasta

    Proef de saus los van de pasta

    Proef de saus los van de pasta. Een saus die apart geproefd goed smaakt, kan in combinatie met pasta en kookvocht ineens anders uitpakken. Proef daarom het eindresultaat samen, niet alleen de saus op zich, voordat je bijstuurt.

    Waarom een saus anders smaakt met pasta

    Pasta neemt zout, vet en smaak op uit de saus. Hij verdunt de saus ook, want hij brengt kookvocht en zetmeel mee. Een saus die op de lepel krachtig smaakt, is op het bord dus milder. Andersom kan een saus die aan het randje van te zout zit, juist goed uitpakken. Daarom is een lepel saus alleen niet genoeg.

    Zo proef je de saus los van de pasta

    Proef eerst de saus alleen, om de basis te controleren. Is er genoeg zout, zuur en kruiden? Zet de saus daarna klaar met een iets krachtigere smaak dan je wilt. Meng de pasta erdoor en proef dan opnieuw, met een hap pasta en saus samen. Bijsturen doe je pas daarna. Zo voorkom je dat je te veel zout toevoegt.

    Waar let je op bij het proeven?

    Let op zout, zuur, zoet, bitter en structuur. Voelt de saus plat? Voeg dan een scheutje citroensap of azijn toe. Is hij te scherp? Een snufje suiker of een klontje boter rondt af. Is hij te dik? Voeg kookvocht toe. Meer daarover lees je bij voeg zuur toe aan het einde.

    Gebruik een schone lepel

    Gebruik voor elke proefronde een schone lepel. Zo voorkom je dat je de saus vervuilt. Laat de saus ook even afkoelen, want hete saus proef je minder goed. Proef bovendien niet te vaak achter elkaar, want je smaak raakt dan moe. Neem tussendoor een slokje water of een stukje brood.

    Zout met mate

    Het kookwater en de kaas brengen al zout mee. Zout de saus daarom pas na het mengen bij. Lees meer in zout de saus voorzichtig na. Zet het eindresultaat eventueel nog even op laag vuur, zodat de smaken zich verbinden.

    Een voorbeeld

    Je maakt een simpele tomatensaus met basilicum. Op de lepel smaakt hij precies goed. Na het mengen met spaghetti is hij vlak. Je proeft opnieuw, voegt een snufje zout en wat olijfolie toe en roert nog een minuut. Nu klopt het. Zonder die tweede proefronde had je een saus gehad die op papier goed was, maar op het bord tegenviel. Meng ook altijd de pasta in de pan met de saus.

    Proef dus de saus los van de pasta, en proef daarna het geheel.

  • Houd je mes scherp

    Houd je mes scherp

    Houd je mes scherp, want een scherp mes is veiliger dan een bot mes. Een scherp mes glijdt door groente en vlees in plaats van dat je moet duwen. Dat duwen is juist de oorzaak van de meeste snijongelukken. Een simpele wetstaal voor gebruik houdt de snede al een stuk langer strak.

    Waarom een scherp mes veiliger is

    Met een bot mes zet je meer kracht. Het mes kan dan wegglijden over de schil van een tomaat of ui. Een scherp mes grijpt direct en volgt je beweging. Je hebt meer controle en snijdt netter. Netter snijden betekent ook gelijkmatig gaar eten, want alle stukjes zijn even groot. Dat merk je in elk gerecht.

    Zo houd je je mes scherp

    Gebruik een wetstaal voor elk gebruik. Houd het mes onder een hoek van ongeveer vijftien tot twintig graden. Haal het mes in lichte, gelijkmatige halen langs de staal, een paar keer per kant. Een wetstaal herstelt de snede maar slijpt niet echt. Gebruik daarnaast een slijpsteen of laat het mes een of twee keer per jaar slijpen. Zo blijft het scherp.

    Bewaar je mes goed

    Gooi messen niet los in een la. De snede raakt dan beschadigd en je kunt je snijden. Gebruik een magneetstrip, een messenblok of een beschermhoes. Snijd bovendien op een houten of kunststof plank, niet op steen of glas. Zulke harde ondergronden maken de snede snel bot.

    Handen en afwas

    Was je mes met de hand en droog het direct af. De vaatwasser maakt de snede bot en de steel kan loskomen. Gebruik ook geen ruwe schuursponsjes op het lemmet. Een zacht sponsje en wat afwasmiddel zijn genoeg. Leg het mes na gebruik niet in de gootsteen, maar spoel het direct af.

    Welke messen heb je nodig?

    Met drie messen kom je ver: een koksmes, een kleine schilmes en een kartelmes voor brood. Een koksmes gebruik je voor ui, knoflook, groente en vlees. Zo snijd je een ui snel en gelijkmatig, wat helpt bij ui fruiten op laag vuur. Zie ook zet alles klaar voordat je begint voor een goede voorbereiding.

    Een eenvoudige test

    Hoe weet je of je mes scherp genoeg is? Probeer een tomaat te snijden. Een scherp mes gaat er zonder druk doorheen. Een bot mes drukt de tomaat plat of glijdt eraf. Merk je dat, dan is het tijd voor de staal of de steen. Doe dat liever te vaak dan te weinig.

    Een voorbeeld uit de keuken

    Stel, je snijdt een ui voor een tomatensaus. Met een bot mes wordt de ui geplet en tranen je ogen. Met een scherp mes snijd je er rustig doorheen. De stukjes zijn even groot en bakken gelijkmatig. Dat scheelt kooktijd en voorkomt dat sommige stukjes verbranden terwijl andere nog rauw zijn.

    Onthoud dus: houd je mes scherp, en kook veiliger en sneller.

  • Zet alles klaar voordat je begint

    Zet alles klaar voordat je begint

    Ingrediënten afwegen, snijden en klaarzetten voordat het vuur aangaat, voorkomt haastwerk terwijl je nog aan het snijden bent. Vooral bij gerechten die snel gaan, zoals wokken, scheelt dit veel stress.

  • Match de vorm met de saus

    Match de vorm met de saus

    Match de vorm met de saus, en je pastagerecht smaakt meteen beter. Niet elke pasta past namelijk bij elke saus. Dikke, romige sauzen werken beter met brede of holle vormen, zoals pappardelle of rigatoni. Dunne, olieachtige sauzen combineer je juist met lange, dunne pasta zoals spaghetti of linguine.

    Waarom de vorm met de saus moet kloppen

    De saus moet aan de pasta blijven hangen. Daarom kijk je naar het oppervlak en de holtes. Ribbels en gaatjes houden saus vast. Een gladde, lange vorm houdt vooral een dun laagje vast. Een goede combinatie geeft in elke hap evenveel pasta als saus.

    Welke saus past bij welke vorm?

    Brede linten, zoals pappardelle, passen bij stevige vleessauzen. Rigatoni en penne met ribbels houden dikke tomatensaus en kaassaus goed vast. Spaghetti en linguine combineer je met olijfolie, knoflook, vis of een lichte tomatensaus. Kleine vormen, zoals orecchiette, nemen stukjes groente mee. Tagliatelle past bij ragù en bij romige sauzen.

    Voorbeelden uit de praktijk

    Neem een romige kaassaus. Die blijft prima hangen in de holtes van macaroni of de ribbels van penne. Met spaghetti glijdt zo’n saus er vaak af. Kies je een lichte saus van olijfolie en knoflook? Dan past spaghetti juist uitstekend, want de dunne sliertjes nemen precies genoeg olie mee. Een bolognese combineer je het best met tagliatelle, omdat de brede linten de stukjes vlees goed vasthouden. Kleine schelpjes vangen op hun beurt erwtjes en stukjes tomaat.

    Een vuistregel om te onthouden

    Hoe dikker de saus, hoe groter en ruwer de pasta. Hoe dunner de saus, hoe dunner en gladder de pasta. Met die regel kom je al een heel eind. Het is overigens een richtlijn, geen wet. In Italië kiest elke streek bovendien haar eigen combinaties.

    Meer over pasta en saus

    Wil je het uitgebreider weten? Lees dan ons overzicht welke pasta bij welke saus past. Maak je zelf een basis? Bekijk dan hoe je tomatensaus maakt of een kaassaus.

    Wat als je pasta in huis hebt die niet past?

    Dat gebeurt vaak. Je hebt bijvoorbeeld alleen spaghetti, maar je wilt een stevige saus met stukjes. Maak de saus dan fijner. Pureer de groente of snijd het vlees kleiner. Zo blijft de saus beter aan de sliertjes hangen. Andersom werkt het ook. Heb je alleen penne, maak dan een dunnere saus iets steviger door hem langer in te laten koken.

    Dus de volgende keer: match de vorm met de saus voordat je de pan pakt.

  • Gebruik een pastavork om te serveren

    Gebruik een pastavork om te serveren

    Gebruik een pastavork om te serveren. Met een pastavork of tang serveer je pasta direct vanuit de pan, zonder dat je hoeft af te gieten via een zeef. Zo blijft er wat vocht aan de pasta zitten. Dat is handig bij lange pastasoorten zoals spaghetti of tagliatelle.

    Waarom een pastavork beter werkt dan een vergiet

    Bij het afgieten in een vergiet verlies je al het kookvocht. De pasta droogt snel uit en plakt aan elkaar. Met een pastavork til je de pasta uit het water en neem je automatisch een beetje vocht mee. Dat vocht bevat zetmeel, en zetmeel helpt de saus te binden. Je hoeft bovendien geen zware pan te tillen.

    Zo gebruik je een pastavork

    Steek de vork in de pasta en draai hem rustig een halve slag. Til de pasta op en laat het water even uitlekken boven de pan. Leg de pasta direct in de pan met de saus of op het bord. Herhaal tot de pan leeg is. Bewaar het kookwater eerst nog even. Bewaar een kop kookvocht voor de saus, voordat je de pan leeggiet.

    Pastavork of tang?

    Een pastavork heeft stompe tanden of een holte in het midden en pakt lange pasta goed vast. Een tang werkt voor korte pasta zoals penne en fusilli, en voor gevulde pasta. Een schuimspaan kan ook, vooral voor ravioli en gnocchi. Kies het gereedschap dat bij de pasta past. Een gewone vork werkt ook, maar pakt minder goed.

    Handige tips bij het serveren

    Verwarm de borden vooraf met heet water, dan blijft de pasta langer warm. Meng de pasta eerst met de saus voordat je serveert. Dat doe je het best in de pan met de saus. Zet extra saus apart op tafel voor wie wat meer wil. Rasp de kaas pas op het bord.

    Een voorbeeld met spaghetti

    Laat de spaghetti twee minuten korter koken dan op de verpakking staat. Pak met de pastavork een flinke portie en til hem direct in de pan met de saus. Draai de vork een paar keer, zodat de sliertjes bedekt raken. Voeg een scheutje kookvocht toe en laat de pasta een minuut doorgaren. Draai er nu porties van op het bord, met de vork als hulpmiddel. Zo krijg je mooie nestjes zonder rommel.

    Wanneer een vergiet toch handig is

    Kook je grote hoeveelheden, bijvoorbeeld voor tien personen, dan is een vergiet praktischer. Bewaar dan altijd eerst een kop kookvocht. Giet af en doe de pasta direct terug in de warme pan. Meng hem met de saus en voeg zo nodig kookvocht toe. Zo voorkom je dat de pasta plakt. Meer over koken lees je bij pasta goed koken.

    Gebruik dus een pastavork om te serveren, en houd je pasta soepel en smaakvol.

  • Fruit ui op laag vuur

    Fruit ui op laag vuur

    Ui op hoog vuur bakken geeft snel kleur maar weinig zoetheid, terwijl langzaam fruiten op laag vuur de suikers laat vrijkomen. Reken op tien tot vijftien minuten voor een echt zachte, zoete basis.

  • Pas op met te veel pasta in te weinig water

    Pas op met te veel pasta in te weinig water

    Pas op met te veel pasta in te weinig water. Te veel pasta in verhouding tot het water laat de temperatuur zakken en het zetmeel te veel concentreren. Het gevolg is plakkerige pasta. Kook liever in twee kleinere porties dan alles in een te kleine pan.

    Wat er gebeurt met te veel pasta in te weinig water

    Pasta neemt tijdens het koken water op en geeft zetmeel af. Is er weinig water, dan wordt dat water snel dik en troebel. De pasta ligt dicht opeen en de stukken plakken vast. Bovendien zakt de temperatuur flink zodra je de pasta toevoegt. Het water kookt daardoor niet meer, en de pasta wordt zacht van buiten maar blijft hard van binnen.

    Hoeveel water per portie?

    Reken op een liter water per honderd gram pasta. Voor vier personen is dat vier liter. Kies een pan waarin dat water ruim past, zonder dat het tot de rand komt. Heb je maar een kleine pan, gebruik dan minder pasta tegelijk. Het uitgangspunt is altijd: de pasta moet kunnen bewegen.

    Twee porties koken

    Kook de eerste portie volgens de verpakking en schep hem met een tang uit het water. Houd hem warm in een pan met een beetje saus. Breng het water weer aan de kook en kook de tweede portie. Meng daarna beide porties met de rest van de saus. Het kost vijf extra minuten, maar de pasta is veel beter.

    Handige tekenen dat je pan te klein is

    Het water komt tot vlak onder de rand. De pasta ligt niet volledig onder water. Na het toevoegen van de pasta stopt het koken en duurt het lang voordat het weer begint. Het water is binnen twee minuten wit en dik. Herken je een van deze signalen, kook dan in porties of neem een grotere pan.

    Meer over de juiste pan

    Lees waarom je beter een grote pan gebruikt en hoe je de pasta de eerste minuut goed roert. Ook de hoeveelheid telt mee: bekijk hoeveel pasta per persoon je nodig hebt.

    Wat als de pasta toch plakt?

    Voeg dan een scheutje heet water toe en roer flink. Giet de pasta daarna direct af en meng hem met de saus. Het zetmeel van de pasta bindt de saus bovendien extra goed. Zo is de schade vaak nog te beperken. Bewaar bij het afgieten ook een kop kookvocht voor de saus.

    Pas dus op met te veel pasta in te weinig water, en kook liever in porties.

  • Lepel in de pan

    visinpan

    Ken je dat? Dat lekkere gevoel dat wanneer je lepel wegglijdt en in de pan met saus verdwijnt? Grrrr….. lekker met je handen de lepel uit de pan vissen, je vingers aflikken of verbranden….

    (meer…)