Tag: tips

Korte, praktische kooktips voor pasta en Italiaans koken, van pasta koken tot sauzen en bewaren.

  • Bind carbonara-achtige sauzen van het vuur af

    Bind carbonara-achtige sauzen van het vuur af

    Bind carbonara-achtige sauzen van het vuur af. Een saus met ei en kaas wordt bij te veel hitte namelijk een omelet in plaats van een romige saus. Haal de pan van het vuur voordat je het eimengsel toevoegt. Gebruik de restwarmte om te binden.

    Waarom ei niet tegen hitte kan

    Ei begint te stollen bij ongeveer zestig tot zeventig graden. Een pan op het vuur is veel heter. Het eiwit klontert dan meteen samen. Je krijgt korreltjes ei in plaats van een gladde saus. De restwarmte van de pasta en het vet is warm genoeg om het ei langzaam te laten dikken.

    Zo pak je het aan

    Klop de eieren en de kaas vooraf los in een kom. Voeg wat zwarte peper toe. Bak daarna het spek of de guanciale en haal de pan van het vuur. Laat de gekookte pasta in de pan glijden. Wacht even tot de pan niet meer sist. Giet vervolgens het eimengsel erbij en roer snel. Wordt de saus te dik, voeg dan een scheutje kookvocht toe.

    Wat als het toch klontert?

    Heb je toch klontjes? Voeg dan direct een flinke scheut kookvocht toe en roer stevig. Soms redt dat de saus. Lukt het niet, dan is het geen ramp. Het smaakt nog steeds goed, het ziet er alleen anders uit. Laat de pan de volgende keer een minuut langer rusten voordat je het ei toevoegt.

    Tips voor een gladde saus

    Gebruik eieren op kamertemperatuur. Koude eieren koelen de pasta af en binden slechter. Rasp de kaas bovendien fijn, zodat hij snel smelt. Zorg verder dat de pasta nog heet is als je het ei toevoegt. Dan stolt het ei net genoeg om te binden, maar niet te veel. Meng alles in de pan met de saus voor het mooiste resultaat.

    Welk vlees past het best in een carbonara? Lees ons artikel over guanciale of pancetta in carbonara. Onthoud dus: bind carbonara-achtige sauzen altijd van het vuur af. Wil je de hele saus stap voor stap maken? Lees dan carbonara saus maken.

  • Ga af op de beet, niet op de klok

    Ga af op de beet, niet op de klok

    Wil je pasta op de beet koken, ga dan af op proeven en niet op de klok. De kooktijd op de verpakking is een richtlijn, geen wet. Die tijd hangt af van je pan, je kooktoestel en zelfs de partij pasta.

    Wat betekent op de beet?

    Op de beet is de Nederlandse vertaling van het Italiaanse al dente. Letterlijk betekent dat ’tot aan de tand’. De pasta is dan gaar, maar heeft nog een lichte weerstand als je erin bijt. In de kern zie je soms nog een klein, lichter streepje.

    Zo proef je of pasta gaar is

    Begin twee minuten voor het einde van de aangegeven kooktijd. Haal één sliertje of penne uit de pan en bijt of breek hem door. Let op de kern. Is die nog wit en droog, dan heeft de pasta nog een minuut nodig. Is de kern bijna egaal van kleur en nog stevig, dan is hij klaar. Proef daarna elke halve minuut opnieuw.

    Waarom de klok je in de steek laat

    De verpakking noemt een tijd voor een gemiddelde situatie. Jouw situatie wijkt daar vaak van af. Een grote pan met veel water blijft beter aan de kook. Een inductieplaat is bovendien sneller dan een elektrisch fornuis. Ook de dikte verschilt per merk. Daarom is proeven altijd betrouwbaarder dan het kookwekkertje.

    Welke pasta heeft meer tijd nodig?

    Dikke pasta, zoals rigatoni, heeft meer tijd nodig dan dunne pasta zoals vermicelli. Volkorenpasta heeft vaak een paar minuten extra nodig. Verse pasta is daarentegen binnen enkele minuten klaar. Proef bij al die soorten vaker dan je denkt. De overgang van te hard naar goed gaat namelijk snel. Eén minuut te lang, en je pasta is te zacht.

    Reken op nagaren

    Pasta gaart nog na, ook als hij al in de saus ligt. Haal hem er dus een minuut eerder uit dan je zou willen. Bewaar daarnaast een kop kookvocht, zodat je de saus straks nog kunt losmaken. Lees ook waarom je de pasta beter in de pan met de saus mengt.

    Een vaste routine voor elke pan

    Zet een kookwekker op twee minuten minder dan de verpakking aangeeft. Als hij afgaat, proef je de pasta. Is hij nog te stevig, zet de wekker dan op een halve minuut en proef opnieuw. Houd het kookvocht en de saus alvast klaar, zodat je de pasta direct kunt overschepen. Zo heb je altijd een vast moment om te controleren, en gaat het nooit meer mis.

    Meer over het koken zelf lees je in ons artikel over pasta goed koken. Zo kook je pasta op de beet, zonder dat je afhankelijk bent van de klok.

  • Zout je water als zeewater

    Zout je water als zeewater

    Het kookwater is de enige kans om de pasta zelf op smaak te brengen, de saus doet dat niet meer goed. Reken op ongeveer tien tot vijftien gram zout per liter water en proef het water voordat de pasta erin gaat.

  • Doe geen olie in het kookwater

    Doe geen olie in het kookwater

    Doe geen olie in het kookwater. Veel mensen denken dat olie pasta losjes houdt, maar dat klopt niet. Olie drijft op het water en doet vrijwel niets voor de pasta zelf. Bovendien kost het je op het bord meer dan het oplevert.

    Waarom olie in het kookwater niets oplost

    Het idee klinkt logisch. Een laagje olie zou de pasta glad maken, zodat hij niet plakt. In de praktijk blijft de olie bovenin de pan zweven. De pasta zit onderin het water en komt er nauwelijks mee in aanraking. Pas bij het afgieten glijdt de pasta door die oliefilm heen. Dan blijft er wel een laagje op zitten.

    Wat olie wel doet

    Dat laagje heeft een nadeel. De saus blijft namelijk slechter aan de pasta hangen, omdat olie en water elkaar afstoten. Je saus glijdt dan van de pasta af en blijft op de bodem van je bord liggen. Dat wil je juist niet, want de saus moet de pasta bedekken.

    Zo voorkom je dat pasta plakt

    Plakkende pasta heeft meestal drie oorzaken: te weinig water, te weinig roeren of te lang laten staan. Gebruik daarom ruim water, ongeveer een liter per honderd gram pasta. Roer de eerste minuut goed door. Giet de pasta vervolgens direct af en meng hem met de saus.

    Een grote pan helpt ook. In een kleine pan koelt het water te snel af en klontert het zetmeel. Lees daarom waarom je beter een grote pan gebruikt.

    Wat gebeurt er in de pan?

    Kook je pasta met en zonder olie, dan zie je in de pan weinig verschil. Wel kan olie het schuimen van het water iets verminderen. Dat is een klein voordeel. Kook je in een grote pan, dan heb je dat voordeel helemaal niet nodig. Het water schuimt dan veel minder over. Een paar druppels olie tegen schuim is dus geen goede reden om je saus op te offeren. Een pan die groot genoeg is, lost het probleem beter op.

    Wanneer een beetje olie wel handig is

    Er is één uitzondering. Bij pasta voor een koude salade kan een klein scheutje olie na het koken helpen. Je doet dat dan buiten het kookwater, op de afgegoten pasta. Zo blijven de stukjes los van elkaar. Voor warme pasta met saus blijft het advies hetzelfde: doe geen olie in het kookwater.

    Wil je toch iets extra’s voor de smaak? Voeg dan na het afgieten een scheut goede olijfolie toe aan de saus, niet aan het water. Daar heb je er veel meer aan. De olijfolie bindt dan met het kookvocht en geeft de saus een mooie glans. Zo gebruik je olie op het moment dat ze iets toevoegt.

    Meer basistechnieken lees je in ons artikel over pasta goed koken.

  • Spoel pasta nooit af na het koken

    Spoel pasta nooit af na het koken

    Spoel pasta nooit af na het koken, tenzij je een koude pastasalade maakt. Koud water spoelt het zetmeel weg dat de saus juist nodig heeft om te hechten. De pasta wordt daardoor glad en glibberig, en de saus glijdt eraf.

    Spoel pasta nooit af: dit is de reden

    Aan de buitenkant van gekookte pasta zit een dun laagje zetmeel. Dat laagje werkt als een soort lijm. De saus blijft eraan plakken, waardoor elke hap smaak heeft. Onder de kraan verdwijnt dat laagje. Bovendien koelt de pasta af, en dan neemt hij de saus slechter op.

    Zo giet je pasta goed af

    Laat de pasta kort uitlekken in een vergiet, of schep hem met een tang uit de pan. Schud niet te lang, want je wilt dat er nog wat vocht aan blijft zitten. Vergeet ook niet om eerst een kop kookvocht te bewaren. Meng de pasta daarna direct met de saus.

    Wanneer afspoelen wel kan

    Maak je een koude pastasalade, dan is spoelen zinvol. Je stopt daarmee het garen en koelt de pasta snel af. Anders wordt hij zacht en klontert hij. Spoel hem dan kort onder koud water en laat hem goed uitlekken. Meng er direct wat olijfolie door, zodat de pasta losblijft.

    Wat gebeurt er als je pasta toch afspoelt?

    Spoel je warme pasta toch af, dan kun je dat meestal nog redden. Warm de pasta kort op in de saus en voeg een scheutje kookvocht toe. Het kookvocht herstelt een deel van het zetmeel. Daardoor bindt de saus weer iets beter. Het blijft wel een noodoplossing, want de pasta heeft dan al smaak en structuur verloren. Gebruik je een vergiet, schud dan alleen het overtollige water eruit. Meer is niet nodig.

    Wat je ook kunt doen als pasta plakt

    Plakt je pasta toch aan elkaar? Spoelen is dan niet de oplossing. Roer de pasta liever door met een scheutje kookvocht of een beetje saus. Dat maakt hem weer soepel. Voorkomen werkt overigens beter. Gebruik ruim water en roer de eerste minuut goed door.

    Gebruik je pasta voor een pastasalade, dan werkt een andere volgorde het best. Kook de pasta iets korter, spoel hem kort af en meng hem direct met de dressing. Laat de salade daarna een half uur rusten, zodat de smaken zich verbinden.

    Hoe je gekookte pasta bewaart en opwarmt, lees je in ons artikel over pasta bewaren. Onthoud dus: spoel pasta nooit af als hij naar een warme saus gaat.

  • Zet de saus klaar voordat de pasta gaar is

    Zet de saus klaar voordat de pasta gaar is

    Zet de saus klaar voordat de pasta gaar is. Pasta gaart door zodra hij uit het water komt. Daarom moet de saus op het moment van afgieten al bijna klaar zijn. Werk de saus liever iets voor dan dat de pasta moet wachten.

    Waarom de volgorde telt

    Gekookte pasta koelt snel af en plakt aan elkaar. Bovendien gaart hij nog na, waardoor hij zacht wordt. Staat de saus nog niet klaar, dan staat de pasta te wachten. Je krijgt dan een klonterig en slap resultaat. Is de saus wel klaar, dan meng je de pasta binnen een minuut.

    Zo plan je het

    Lees het recept vooraf door. Kijk hoe lang de saus nodig heeft en hoe lang de pasta kookt. De meeste sauzen hebben tien tot twintig minuten nodig. Zet het water dus vroeg aan de kook. Begin met de saus, en laat de pasta pas in het water gaan als de saus bijna klaar is.

    Welke sauzen vragen extra aandacht?

    Een langzaam gegaarde saus start je ruim van tevoren. Denk aan ragù of zelfgemaakte tomatensaus. Een snelle saus, zoals aglio e olio, is binnen enkele minuten klaar. Die maak je pas terwijl de pasta kookt. Bij carbonara moet je zelfs het ei en de kaas al klaar hebben staan. Lees meer over het binden van carbonara-achtige sauzen.

    Handige gewoonten

    Zet alles klaar voordat je begint: ui, knoflook, kaas en kruiden. Snijd en rasp alles vooraf. Houd een kop kookvocht bij de hand. Zo kun je de saus tot op het laatste moment bijsturen. Meng de pasta daarna in de pan met de saus.

    Wat als de saus eerder klaar is?

    Dat is geen probleem. Zet het vuur laag en houd de saus warm. Doe er eventueel een deksel op. Een klaarstaande saus wacht veel beter dan pasta. Je kunt hem zelfs even laten rusten, zodat de smaken zich verbinden. Is de saus te dik geworden, roer er dan wat kookvocht door.

    Meer over het koken zelf lees je in ons artikel over pasta goed koken. Onthoud dus: zet de saus klaar voordat de pasta gaar is.

  • Roer de eerste minuut goed door

    Roer de eerste minuut goed door

    Roer de eerste minuut goed door, zodra de pasta in het water zit. Dan plakt hij het snelst aan de bodem of aan elkaar. Een goede roerbeurt in die minuut voorkomt de meeste klonten.

    Waarom je de eerste minuut moet roeren

    Droge pasta heeft aan de buitenkant veel zetmeel. Zodra die pasta in het kokende water komt, wordt dat zetmeel kleverig. De stukken liggen bovendien nog dicht op elkaar. Ze plakken dan makkelijk vast. Na ongeveer een minuut vormt de buitenkant een stevig laagje, en blijft de pasta los.

    Zo roer je goed

    Laat de pasta in het kokende water glijden. Duw lange pasta met een houten lepel voorzichtig onder water. Roer vervolgens rustig door, met de lepel langs de bodem. Zo maak je alle stukken los. Laat het water daarbij aan de kook. Roer daarna af en toe, bijvoorbeeld om de paar minuten.

    Wat als de pasta toch plakt?

    Controleer dan of je pan groot genoeg is. Te weinig water is namelijk de grootste boosdoener. Lees daarom waarom je een grote pan gebruikt. Plakt de pasta al, dan helpt flink roeren meestal nog. Olie in het water helpt niet, zoals je leest bij geen olie in het kookwater.

    Welke pasta plakt het snelst?

    Dunne, lange pasta, zoals capellini en spaghetti, klontert het makkelijkst. Dat komt doordat de sliertjes veel oppervlak hebben. Bij verse pasta speelt hetzelfde. Roer die pasta met een vork voorzichtig los. Korte pasta, zoals penne of fusilli, geeft minder problemen. Toch geldt voor alle soorten hetzelfde advies: begin direct met roeren, ook als de pasta er nog onschuldig bij ligt.

    Meer tips voor losse pasta

    Zout het water zodra het kookt. Gebruik ongeveer tien gram zout per liter water. Dat zorgt voor smaak, en het helpt je pasta ook beter te laten garen. Meer lees je in ons artikel over pasta goed koken.

    Gebruik het juiste gereedschap

    Een houten lepel of een pastavork werkt het best. Metalen lepels kunnen krassen in een pan met antiaanbaklaag. Een tang is handig voor lange pasta, omdat je de sliertjes er makkelijk mee optilt en loswerkt. Roer ook langs de rand van de pan. Daar blijft pasta namelijk vaak hangen. Zo heb je in korte tijd alles los, en kun je het vuur rustig terugzetten.

    Roer dus de eerste minuut goed door. Daarna kun je je op de saus richten.

  • Houd rekening met nagaren

    Houd rekening met nagaren

    Houd rekening met nagaren als je pasta kookt. Pasta gaart door na het afgieten, ook al staat hij niet meer op het vuur. Haal hem er daarom net iets voor het gewenste punt af. Dat geldt zeker als je hem daarna nog even in de saus laat trekken.

    Wat is nagaren precies?

    Pasta bevat na het koken nog veel hitte. Die hitte werkt door in de kern, terwijl de buitenkant al klaar is. Het zetmeel blijft zachter worden, zolang de pasta warm en vochtig blijft. Een pasta die op het moment van afgieten precies goed is, wordt op het bord dus een tikje te zacht. Dat noemen we nagaren.

    Zo houd je rekening met nagaren

    Haal de pasta één tot twee minuten voor het einde van de kooktijd uit het water. Proef hem en let op de kern. Hij mag nog een lichte weerstand hebben. Meng hem daarna met de saus in de pan, zodat hij daar verder gaart. Zo eindigt hij precies goed op het bord. Meer over dit moment lees je bij pasta op de beet koken.

    Verschil per soort pasta

    Dikke pasta, zoals rigatoni, houdt veel warmte vast en gaart langer na. Dunne pasta, zoals vermicelli, gaart snel af. Verse pasta heeft nauwelijks nagaren nodig. Gevulde pasta blijft nog even doorgaren door de warme vulling. Houd daar rekening mee en plan de kooktijd daarop. Wil je weten hoe lang verse pasta duurt, lees dan verse pasta kookt sneller dan gedroogde.

    Wat als je pasta bewust later eet?

    Gaat de pasta de koelkast in of een salade in? Dan wil je het nagaren juist stoppen. Spoel hem kort af onder koud water en laat uitlekken. Voor warme gerechten spoel je hem niet af. Meer daarover lees je bij spoel pasta nooit af na het koken.

    Een voorbeeld uit de keuken

    Stel, de verpakking noemt tien minuten. Zet de wekker op acht minuten en proef dan. Is de kern nog net wat stevig, giet dan af en bewaar een kop kookvocht. Doe de pasta terug in de pan met de saus en roer een tot twee minuten op middelhoog vuur. Na die twee minuten is de pasta precies goed, en niet te zacht.

    Een eenvoudige controle

    Zet de saus klaar voordat de pasta gaar is. Dan hoeft de pasta niet te wachten en gaart hij niet te lang na. Houd ook een kop kookvocht bij de hand om de saus soepel te houden. Zo blijft de pasta op de beet, van de pan tot het bord.

    Onthoud dus: houd rekening met nagaren, en haal de pasta een minuut eerder uit het water.

  • Zout in fases

    Zout in fases

    Zout in fases toevoegen geeft een gelaagdere smaak dan alles in één keer. Zout je in stappen tijdens het koken, dan proef je steeds bij. Zo voorkom je dat een gerecht ineens te zout wordt. Het kost nauwelijks extra tijd.

    Waarom zout in fases beter werkt

    Zout trekt in de ingrediënten en versterkt hun eigen smaak. Voeg je het aan het begin toe, dan zit het diep in de ui, het vlees of de groente. Voeg je het aan het einde toe, dan proef je het vooral aan de buitenkant. Door beide te doen, krijg je diepte en frisheid. Bovendien verdampt het water in een saus, waardoor het zout geconcentreerd raakt.

    Zo zout je in fases

    Zout het water voor de pasta aan het begin, zodra het kookt. Strooi een snufje zout over de ui of groente als je ze bakt. Zout de saus daarna lichtjes, ruim voordat hij klaar is. Proef vlak voor het mengen. Maak af met een laatste snufje zout of een beetje zeezout op het bord. Zie ook pasta goed koken voor de hoeveelheid zout in het kookwater.

    Houd rekening met zoute ingrediënten

    Parmezaan, pecorino, ansjovis, kappertjes, olijven en spek bevatten veel zout. Voeg zout daarom pas toe nadat je deze ingrediënten hebt gebruikt. Proef dan opnieuw. Bij een saus met veel kaas heb je soms helemaal geen extra zout nodig. Lees ook zout de saus voorzichtig na.

    Wat als het toch te zout is?

    Voeg dan iets neutraals toe om te verdunnen. Denk aan ongezouten tomaat, bouillon zonder zout, room of extra pasta. Een scheutje citroensap maakt de zoutheid minder opvallend. Een rauwe aardappel die je meekookt, werkt minder goed dan vaak wordt gezegd. Voorkomen is dus beter dan genezen.

    Proefmomenten

    Maak er een gewoonte van om op drie momenten te proeven: bij het begin van het bakken, halverwege het koken en vlak voor het serveren. Gebruik een schone lepel. Proef bij voorkeur ook samen met de pasta, zoals je leest bij proef tijdens het koken. Zo leer je snel hoeveel zout jouw gerechten nodig hebben.

    Een voorbeeld

    Je maakt een tomatensaus met ui, knoflook en tomaten. Een snufje zout bij de ui trekt het vocht eruit en maakt hem zoeter. Een tweede snufje bij de tomaten verdiept de smaak. Aan het eind proef je en voeg je een laatste kleine snufje toe. Zo voorkom je een saus die flauw begint en te zout eindigt.

    Zout dus in fases, en proef steeds opnieuw.

  • Gebruik een grote pan

    Gebruik een grote pan

    Gebruik een grote pan voor pasta, ook als je maar voor één persoon kookt. Pasta heeft ruimte nodig om vrij te bewegen. Zit hij te dicht op elkaar, dan plakt hij samen en gaart hij ongelijkmatig.

    Waarom een grote pan het verschil maakt

    In een grote pan past meer water. Meer water betekent dat de temperatuur nauwelijks zakt als je de pasta erin doet. Het water blijft dus rollend koken. Daardoor begint de pasta direct te garen en klontert hij minder. In een kleine pan zakt de temperatuur juist flink, en gaat het zetmeel plakken.

    Hoeveel water heb je nodig?

    Reken op minimaal een liter water per honderd gram pasta. Voor vier personen is dat dus vier liter. Kook je voor twee personen, dan kom je met twee liter een heel eind. Kies bovendien een pan die ruim twee keer zo hoog is als de hoeveelheid water. Zo voorkom je dat het schuim overkookt. Hoeveel pasta je per persoon nodig hebt, lees je in ons artikel over hoeveel pasta per persoon.

    Wat als je pan toch te klein is?

    Kook de pasta dan in twee porties. Dat kost iets meer tijd, maar het resultaat is veel beter dan alles in één keer in een krappe pan. Meng de eerste portie alvast met de saus en houd hem warm, terwijl de tweede portie kookt.

    Wat gebeurt er in een te kleine pan?

    Een te kleine pan geeft meerdere problemen tegelijk. Het water zakt na het toevoegen van de pasta flink in temperatuur. Het duurt daarna lang voordat het weer kookt. Intussen ligt de pasta stil en plakt hij vast. Bovendien wordt het kookwater snel troebel en dik van het zetmeel. Dat zetmeel zorgt voor nog meer plakken. Een grote pan geeft de pasta ruimte en houdt het water helder. Dat scheelt je ook werk, want je hoeft minder te roeren.

    Een brede of een hoge pan?

    Voor lange pasta werkt een brede, hoge pan het best. Zodra het onderste deel van de spaghetti zacht wordt, duw je de rest met een houten lepel onder water. Dat gaat makkelijker in een brede pan dan in een smalle. Voor korte pasta is een hoge soeppan ook prima. Let vooral op het volume. Laat het deksel er overigens af zodra het water kookt.

    Ook voor een kleine hoeveelheid loont een grote pan. Met slechts twee porties pasta in een kleine pan heb je weinig water, en dus een snel dikker wordend, plakkerig kookvocht. In een grote pan blijft dat vocht lichter, zodat je het later ook goed als bindmiddel kunt gebruiken.

    Meer over het koken zelf lees je in ons artikel over pasta goed koken. Kortom: gebruik een grote pan, geef de pasta ruimte en je voorkomt de meeste problemen al voordat ze beginnen.